Klikzink
Onze felsplaat is koud vouwbaar tot -15 graden. Dat is een eigenschap van het staal, niet van de coating: de kern blijft bij lage temperatuur voldoende soepel om te vouwen zonder te scheuren of te verkorrelen bij de vouwlijn. Dat is fijn om te weten als u in de winter aan het werk bent, maar het zegt nog niets over hoe scherp u die vouw mag zetten. Daarover gaat deze pagina, in combinatie met wat wij nodig hebben als u ons vraagt mee te denken op een tekening.
De kleinste straal die u zonder problemen kunt vouwen, hangt af van de dikte van de plaat, de richting van de vouw ten opzichte van de walsrichting van het staal, en de temperatuur waarbij u vouwt. Bij onze plaatdikte van 0,55 mm is een te scherpe, haakse vouw met een straal van bijna nul het risico: de coating van 50 micrometer, de GreenCoat Pural BT, kan daar aan de buitenzijde van de vouw fijne haarscheurtjes vertonen. Dat staal zelf breekt niet zo snel, maar de coating rekt minder dan het staal erachter en geeft daardoor het eerst op. Een vouw met een kleine, vloeiende straal in plaats van een messcherpe kniklijn houdt de coating heel en dat ziet u aan de buitenzijde ook meteen: geen witte, ondergelegen lijn precies op de vouw.
Bij vorst is dat risico groter, en daarom moet u dan langzamer vouwen. Koud staal is stugger dan staal op kamertemperatuur; het rekt minder makkelijk mee met de beweging van de vouwmachine of het handgereedschap. Vouwt u in een rap tempo door, zoals u dat op een lentedag zonder nadenken doet, dan geeft u de coating te weinig tijd om de vervorming op te vangen en ontstaat precies dat haarscheurtje dat u bij normale temperatuur niet zou zien. Een paar seconden extra per vouw, en een iets ruimere straal dan u bij zomerse temperaturen zou nemen, voorkomen dat. Wilt u weten hoe uw plaat er in de kou verder bij ligt, dan lezen u dat in ons stuk over werken bij vorst.
Een voorbeeld uit de praktijk: een dakdekker die in januari een kleine daktrim moest zetten voor een dakrand, boog de plaat op zijn gewone tempo, zoals hij in de zomer deed. Aan de buitenkant van de knik ontstond een dun wit lijntje, precies op de vouw. Geen probleem voor de sterkte van de plaat, maar wel voor het aanzien op een zichtbare rand. Bij de volgende meters trok hij de vouw rustiger door en met een iets ruimere radius, en het lijntje bleef weg. Zo klein kan het verschil zijn tussen een vouw die goed blijft staan en een vouw die u later terugziet.
Meedenken op tekening kost niets. Stuurt u ons een tekening van het vlak dat u wilt bekleden, dan denken wij gratis mee over de indeling in banen: waar de felsen komen, hoe lang elke baan wordt en hoe wij dat het beste op de millimeter afkorten, van 450 tot 8000 mm. Dat scheelt u reken- en paswerk op de bouw en verkleint de kans op een verkeerde maatvoering die u pas ontdekt als de plaat al ligt.
Wat wij daarvoor nodig hebben is niet ingewikkeld, maar wel volledig. Ten eerste de maten van het vlak: lengte en breedte van elk dakvlak of gevelvlak, met de werkelijke maten op de bouw en niet alleen de maten uit het bestek. Een dak dat op tekening 6000 mm lang is, is in de praktijk vaak een paar centimeter langer of korter, en dat verschil telt op zodra u met meerdere banen van 475 mm werkende breedte werkt.
Ten tweede willen wij weten waar het water heen loopt. De looprichting van het water bepaalt namelijk hoe de banen elkaar overlappen bij de fels en in welke richting de fels de neerslag moet afvoeren in plaats van tegenhouden. Bij een enkelvoudig hellend vlak is dat meestal duidelijk, maar bij een vlak met een knik, een graat of een inwendige hoek is het voor ons prettig als u dat aangeeft in plaats van dat wij het moeten aflezen uit een plattegrond zonder pijltjes.
Ten derde de plaats van de aansluitingen: waar het vlak grenst aan een nok, een dakrand, een gevelhoek, een doorvoer of een aansluitende bouwdeel. Die plekken bepalen waar een baan eindigt of juist doorloopt, en waar wij rekening houden met een extra strook of een afwijkende maat. Hoe die aansluiting op de nok er verder technisch uitziet, en welke opbouw daarbij past, lichten wij toe op klikfels.com; op deze pagina gaat het er alleen om dat u de plek ervan op tekening aangeeft, zodat wij de banenindeling daar op afstemmen.
Een tekening met die drie gegevens, maten, waterloop en aansluitingen, is voor ons voldoende om een indeling te maken die op de bouw klopt. Ontbreekt een van de drie, dan vragen wij erna: liever een vraag vooraf dan een baan die op de bouw niet past. Hoe u een tekening precies aanlevert en in welk formaat, leggen wij uit op de pagina over het aanleveren van een tekening; wilt u weten hoe de platen vervolgens op de bouw zelf worden afgekort of ingekort, dan is dat het onderwerp van het stuk over afkorten op de bouw.
De combinatie van koud vouwbaar materiaal en een goed doordachte banenindeling werkt zo naar elkaar toe. Een tekening die goed is doorgerekend, zorgt dat u op de bouw minder hoeft te vouwen en te passen; en waar u toch moet vouwen, weet u nu waar dat op vastloopt en hoe u dat voorkomt. Zeker bij winterwerk is dat geen overbodige luxe: een scherp getekende, goed voorbereide baan bespaart u het gedoe van een te scherpe vouw die u pas na montage ziet.
Wilt u dat wij meekijken naar uw dak- of gevelvlak, dan kunt u de tekening met de maten, de waterloop en de aansluitingen naar ons toesturen. Wij zetten die om in een banenindeling en leveren de platen op de millimeter afgekort aan, zodat u op de bouw vooral hoeft te leggen en waar nodig, met een rustige hand, te vouwen.