Klikzink
Een donkere plaat trekt warmte aan zoals niets anders op het dak. Op een heldere julimiddag kan het staal van een felsbaan makkelijk tegen de zestig graden lopen, terwijl de lucht daarboven het bij vijfentwintig graden houdt. Staal zet uit met de temperatuur, en bij 8 meter felsplaat tikt dat aan: een baan die op zijn heetst 8 tot 10 millimeter langer is dan diezelfde baan bij tien graden 's ochtends vroeg. Dat is geen slordigheid van de plaat, dat is gewoon natuurkunde, en het is precies waarom wij liever niet op tekening staan met een maat die is ingemeten op het heetste moment van de dag.
Het probleem zit niet in de plaat zelf, die verdraagt die beweging zonder schade, maar in het moment van inmeten en leggen. Meet u een aansluiting in de volle zon om twee uur 's middags, en legt u de baan pas de volgende ochtend als het dak nog koel is, dan is de baan inmiddels gekrompen. Bij een enkele meter merkt u daar weinig van, maar bij een aansluiting op een gevelrand, een hoekkeper of een doorvoer kan dat verschil net het gaatje zijn tussen een strakke pasvorm en een naad die net niet klopt. Hetzelfde geldt omgekeerd: een maat die 's ochtends vroeg is genomen, en waarmee u 's middags in de volle zon gaat leggen, past dan juist te ruim omdat de plaat inmiddels is uitgezet.
De vuistregel die wij aannemers en dakdekkers meegeven is simpel: meet in en leg in hetzelfde deel van de dag, of reken de uitzetting mee als dat niet kan. Voor felsplaat is dat ongeveer half zoveel als voor zink, dus de marge is kleiner dan bij een zinken dak, maar bij lange banen op een groot plat vlak, of bij gevelbekleding die de hele dag in de zon staat, telt ook een kleinere marge op tot iets dat u wilt kennen voordat u een stanleymes in de plaat zet. Bij twijfel meten wij liever in de vroege ochtend, als de plaat nog op omgevingstemperatuur is en de maat het beste overeenkomt met wat er straks op de rest van de dag ook klopt.
Al deze bewegingsruimte hoort al te zijn meegenomen voordat de eerste baan de wals verlaat, en dat begint bij de tekening die u ons aanlevert. Meedenken op een tekening kost u niets, en juist daarom hebben wij liever een tekening waarop meer staat dan alleen een lengtemaat. Geef de maten van het volledige dakvlak of gevelvlak op, niet alleen van het stuk waar u toevallig als eerste aan werkt, want de banenindeling die wij maken houdt rekening met de volledige breedte en met hoe de banen onderling op elkaar aansluiten. Een indeling die begint bij één losse maat die op een warme dag is genomen, klopt soms net niet meer als de rest van het vlak erbij komt.
Geef ook aan waar het water heen moet lopen. Op een plat of licht hellend felsdak bepaalt de afwatering welke kant de banen op lopen en waar de langsnaden liggen, en dat is iets dat wij niet kunnen raden vanaf een enkele maatlijn. Bij een gevel is de looprichting van het water minder een kwestie van functie en meer een kwestie van hoe de felsen in het zicht liggen, maar ook dan willen wij dat weten voordat wij de banen op maat afkorten. En geef de plek van elke aansluiting aan: een dakraam, een doorvoer, een hoekkeper, de aansluiting op een bestaande gevel. Precies op die plekken is een paar millimeter speling tussen een maat die 's ochtends genomen is en een maat die in de volle zon genomen is het verschil tussen een naad die netjes wegvalt en een naad die net te strak of te ruim ligt.
Wat een tekening met deze gegevens ons oplevert, is een banenindeling waarbij wij de te verwachten uitzetting al hebben verwerkt in de maatvoering, in plaats van dat u dat op de bouw met een rekenlatje moet bijhouden. Dat is precies waarom wij liever vooraf meedenken dan achteraf een correctiebaan moeten leveren.
Bij vorst gebeurt feitelijk het omgekeerde: de plaat krimpt in plaats van uitzet, en dat vraagt een andere aanpak bij het inmeten en verwerken, zoals wij uitleggen bij [werken bij vorst en een tekening aanleveren](/felsplaat/tekening-aanleveren/bij-vorst). Het is goed om te weten dat felsplaat in de kou nog steeds koud vouwbaar is tot -15 graden, dus vorst is geen reden om niet te leggen, maar de maatvoering vraagt dezelfde aandacht als bij hitte, alleen in de andere richting. Wat in beide gevallen hetzelfde blijft, is het advies: meet en leg zoveel mogelijk op hetzelfde moment van de dag, of geef ons vooraf de bandbreedte waarbinnen u gaat werken zodat wij daar in de banenindeling al rekening mee houden.
Als u een lange baan op een hete middag moet inmeten omdat de planning dat vereist, leg dan een rolmaat of duimstok een paar minuten tegen de plaat aan voordat u meet, zodat het meetgereedschap zelf niet meer beweegt terwijl u de plaat aftast. Noteer bij een kritieke maat ook het tijdstip en de geschatte plaattemperatuur, zodat u of uw collega die de baan later legt, weet in welke richting de correctie moet gaan. Bij een verstijvingsril of micro-lines in het vlak verandert dit principe niet, die uitvoeringen van het vlak zetten net zo uit als een vlakke plaat, dus daar is geen aparte marge voor nodig.
Wij korten elke baan op de millimeter af, van 450 tot 8000 millimeter, en dat doen wij het liefst op basis van een tekening waarin deze punten al zijn verwerkt. Een maatvoering die uitgaat van het gemiddelde van een koele ochtend en een hete middag geeft doorgaans de beste pasvorm over de hele dag heen, en voorkomt dat één baan die op het heetste moment is ingemeten de rest van de indeling gaat sturen.
Stuur ons de maten van het volledige vlak, de richting waarin het water afwatert en de exacte plek van elke aansluiting, en laat ons weten of u op een warm dakvlak of een koele gevel gaat werken. Wij denken gratis mee over de banenindeling en leveren de platen op maat aan, afgekort tot op de millimeter, zodat u op de bouw niet meer hoeft te corrigeren voor wat de zon met het staal heeft gedaan.