Klikzink

Krassen en beschadigingen bij transport en lossen

Een kras is niet automatisch een beschadiging die iets kapotmaakt. Op de coating van 50 micrometer ontstaat bij ruw hanteren soms een oppervlakkige schram: de bovenste laag is dof of licht gemarkeerd, maar het onderliggende verzinkte staal is niet blootgelegd. Dat is anders dan een beschadiging die door de coating heen gaat tot op het zink of, in het ergste geval, tot op het staal zelf. Dat onderscheid bepaalt wat u ermee doet: de ene kras werkt u desnoods bij, de andere baan legt u apart en verwerkt u niet op de gevel of het dak.

De test is simpel en kunt u op de bouwplaats zelf doen. Veeg met een vinger of een doek over de kras. Voelt u alleen een gladde, doffe streep, dan is de coating dun beschadigd maar gesloten: er is geen open toegang voor vocht. Ziet u een lichtere kleur op de bodem van de kras, of voelt u een randje waar de laag echt is doorbroken, dan ligt er zink of staal open. Bij twijfel helpt een druppel water: trekt die weg in de kras zonder weerstand, dan is de laag stuk. Voor de vraag hoe de coating zich verder gedraagt onder weersinvloeden en welke kleuren en glansgraden wij leveren, verwijzen we naar [het uiterlijk van de coating](https://zinklook.com).

Bijwerken heeft alleen zin bij de eerste categorie: een oppervlakkige schram waarbij de laag nog dicht is, of een klein beschadigd plekje waar u met bijwerklak de open plek afdicht voordat er vocht bij kan. Bijwerken maakt een kras onzichtbaarder, maar het maakt hem niet weg, en het herstelt niet de gelaagdheid van de fabriekscoating. Bij een striem die tot op het staal gaat, dwars over de baan, of bij een deuk waarbij de coating over een langere lengte is losgetrokken van het plaatoppervlak, werkt bijwerken de zaak alleen toe. Onder die verflaag blijft dan een zwakke plek liggen die u niet ziet totdat er, na een paar jaar, een roestvlekje doorkomt. Zo'n baan hoort niet op het werk verwerkt te worden. Wat bijwerken precies oplost en wat het alleen aan het oog onttrekt, werken we uitgebreider uit op de pagina over [bijwerken en herstellen van de coating](/felsplaat/transport-en-lossen/bijwerken).

Waar krassen tijdens transport ontstaan

Banen tot acht meter komen bij u aan op een lange wagen, plat op houten dragers, met tussenlagen die schuren tijdens de rit voorkomen. De meeste krassen die wij op de bouwplaats terugzien, zijn niet ontstaan in de fabriek en niet tijdens de rit, maar bij het lossen zelf: het moment waarop de banen van de wagen naar de bouwplaats gaan. Dat is het moment waarop platen langs elkaar schuiven, over een scherpe wagenrand kantelen, of op een ondergrond terechtkomen die niet schoon is.

Een concreet beeld: een stapel banen van zes meter wordt met een vorkheftruck van de wagen gehaald, maar de vorken zijn te kort ingesteld en de onderste baan schuift een paar centimeter over de wagenrand voordat hij optilt. Op dat randje krast de onderkant van de plaat open, over de volle breedte van de baan. Die schade zit aan de onderzijde, wordt vaak niet meteen gezien, en wordt pas duidelijk als de baan op de gording ligt en iemand ernaar bukt om de klem te plaatsen. Vergelijkbare schade ontstaat wanneer banen los over elkaar worden gesleept in plaats van opgetild: het gewicht van de bovenste baan drukt zand of steengruis onder de fels van de plaat eronder, en dat werkt als schuurpapier zodra er beweging is.

Wat er klaar moet staan om zonder schade te lossen

Om te lossen zonder de banen te krassen of te knikken, moet de bouwplaats voorbereid zijn voordat de wagen er is, niet erna. Er moet een vlakke, schone stellingplaats zijn: geen grind, geen puinresten, geen scherp zand waarin een baan bij het neerzetten kan wegdrukken. Wij adviseren draagbalken van hout, minstens om de twee meter, zodat de volle lengte van een lange baan ondersteund wordt en er nergens een doorbuiging ontstaat die de plaat op één punt laat scharnieren tegen de wagen of tegen een andere baan.

Bij banen tot acht meter is hijsen met een lange spreider vaak veiliger dan tillen met een heftruck, omdat de plaat dan over de volle lengte gelijk wordt opgetild in plaats van aan één kant eerder los te komen dan aan de andere. Als er met een heftruck gelost wordt, moet de vorkbreedte zijn afgestemd op de baanlengte en moet er onder de vorken een zachte onderlegger liggen, zodat de fels van 35 mm niet plat wordt gedrukt op het moment dat het gewicht van de stapel op één punt rust. Precies dat raakvlak tussen tillen en de vorm van de fels bespreken we uitgebreider op de pagina over [de fels bij transport en lossen](/felsplaat/transport-en-lossen/de-fels), voor wie wil weten hoe die opstaande rand zich gedraagt onder belasting.

Een tweede punt waar het vaak misgaat: te weinig hulp bij het aandragen. Eén persoon die een baan van zes meter alleen van de stapel probeert te tillen, laat het andere eind meestal over de grond of over de onderliggende baan slepen. Dat is niet alleen een risico voor de rug van die persoon, het is de directe oorzaak van een lange schuurstreep over de onderzijde. Reken op minstens twee man per baan vanaf ongeveer vier meter lengte, en op meer bij de langere maten tot acht meter.

De rol van gewicht en volgorde bij het lossen

Met ongeveer 5 kg per vierkante meter is een enkele baan van 475 mm breed en zes meter lang ruim veertien kilo. Dat is per stuk goed te dragen, maar een stapel van tien banen wordt al snel te zwaar om als geheel te verplaatsen zonder hulpmiddel, en juist bij het uit elkaar trekken van een stapel ontstaan de meeste krassen: de bovenste baan schuift over de coating van de baan eronder.

Haal daarom banen één voor één van de stapel, in plaats van een pak tegelijk te kantelen. Til de baan recht omhoog voordat u hem opzij beweegt, zodat de onderzijde niet over de baan eronder sleept. Leg tussen de banen op de stellingplaats, als ze op elkaar moeten blijven liggen, een zachte tussenlaag: vilt, of de kartonnen tussenlagen waarmee wij ze zelf ook al vanaf de wals scheiden. Zonder die laag werkt elke lichte verschuiving, ook bij windstoten op een hoger gelegen bouwplaats, als schuurbeweging tussen twee coatinglagen.

De volgorde waarin u lost, hangt ook af van waar de banen als eerste verwerkt worden. Wilt u eerst de gevel doen en pas later het dak, dan heeft het zin om bij het lossen die twee groepen apart te houden zodat u niet halverwege de dagstapel opnieuw hoeft te sorteren en te tillen. Voor de volgorde van bevestigen zelf, en waar de klem in dat proces komt, verwijzen we naar de uitleg over [de bevestiging en de volgorde op de bouw](https://klikzink.com).

Wat u nu kunt doen

Spreek bij het bestellen de lengte van de banen af op de maat die op uw bouwplaats werkbaar is, zodat u niet met onnodig lange, lastig te tillen platen zit. Regel vóór de wagen arriveert een vlakke, schone stellingplaats met voldoende draagbalken, en zet voor banen vanaf vier meter minimaal twee man op het lossen. Bekijk elke baan bij aankomst kort op krassen aan de onderzijde voordat u hem op de gording legt: dat scheelt u een tweede keer tillen als een baan toch apart gelegd moet worden. Heeft u twijfel over een kras op een geleverde baan, neem dan contact met ons op via Boylestraat 22 in Ede; we denken zonder kosten mee, ook als het gaat om een enkele beschadigde plaat uit een grotere levering.

Terug naar het overzicht

KKlikzink
Pagina'sHomeKleur / CoatingProjectenDetailsTechnisch adviesBlog
Contact
Adres
© Klikzink