Klikzink
Een aannemer die overstapt van zink naar felsplaat vraagt vaak eerst naar de maat. Logisch: op de millimeter afgekort staal klinkt als een garantie, en dan blijkt de gevelrand op de bouw drie millimeter uit het lood te staan. Dat is geen fout van de plaat. Dat is de tolerantie op de maat, en die zit op een andere plek dan mensen denken die met zink gewerkt hebben.
Zink is zachter en rekt makkelijker mee met een ondergrond die niet helemaal recht is. Op dit ene punt wint zink: het materiaal geeft een fractie mee bij het aanleggen, en die speling verbergt een kleine onnauwkeurigheid in de constructie. Onze stalen felsbanen doen dat niet. Staal is stugger, blijft op maat wat het is, en zet ook veel minder uit: ongeveer half zoveel als zink bij dezelfde temperatuurschommeling. Dat is voor de meeste toepassingen een voordeel, want minder uitzetting betekent minder beweging in de fels en minder kans op geluid of spanning bij warmte. Maar het betekent ook dat de plaat zelf niets rechttrekt. Een gevel die twee millimeter uit het lood staat, blijft twee millimeter uit het lood staan onder de felsplaat. Bij zink loste een deel daarvan zichzelf op in het materiaal. Bij staal moet u die speling ergens anders opvangen.
De tolerantie zit niet in de plaat maar in de opbouw eromheen. Onze felsbanen worden op de millimeter afgekort geleverd, van 450 tot 8000 millimeter, en die maat is nauwkeurig. Maar een dakvlak van tien meter lang is in de praktijk nooit precies tien meter: houtskeletbouw werkt, een bestaand dak zakt licht door de jaren, een timmerman meet op twee plekken en krijgt twee net andere getallen. Bij zink kon je met wat extra rek in het materiaal die paar millimeter wegwerken tijdens het leggen. Bij felsplaat werkt u die tolerantie weg in de regelwerk-indeling, in de overlap aan de fels, en in de marge die u aanhoudt bij het bestellen.
In de praktijk betekent dat: bestel niet exact op de maat die u op tekening afleest, maar neem de werkelijke maat op de bouw, meet die op minstens drie plekken over de lengte, en bestel op de kleinste gemeenschappelijke deler plus een kleine marge aan de kant waar de laatste baan ligt. Die laatste baan is de plek waar u de speling opvangt, niet de eerste. Een dakdekker die op een pand in Ede vorig jaar de banen strak op de tekeningmaat liet zagen, liep vast op een gevel die 14 millimeter uit het lood bleek te staan over de volledig lengte. Bij zink was dat waarschijnlijk meegegroeid in de plaat. Bij de stalen felsbaan moest de laatste baan smaller worden afgekort op de bouw, precies zoals wij uitleggen bij [de plaat afkorten op de bouw bij toleranties op de maat](/felsplaat/toleranties/afkorten-op-de-bouw).
Een tweede verschil met zink zit in het gewicht, en dat werkt door in hoe nauwkeurig u op de bouw kunt blijven werken. Onze felsbanen wegen ongeveer 5 kg per vierkante meter, aanzienlijk lichter dan zink van vergelijkbare dikte. Dat is prettig bij het tillen en positioneren, maar het heeft ook een keerzijde voor de maatvastheid: een lichte plaat buigt makkelijker door onder eigen gewicht als hij niet goed ondersteund wordt bij het aandragen. Bij lange banen van zes, zeven meter zien wij op de bouw regelmatig dat een plaat die aan één kant wordt opgetild, in het midden doorbuigt en daardoor net niet meer precies op de klemlijn valt die vooraf is uitgezet. Dat heeft niets met de fabrieksmaat te maken en alles met hoe de plaat gedragen wordt tot op de plek. Hoe u dat het beste doet met twee man, staat uitgewerkt bij [de plaat tillen en dragen bij toleranties op de maat](/felsplaat/toleranties/tillen).
Ook bij het koud vouwen speelt gewicht een rol in de maatvastheid, al gaat het daar meer om temperatuur dan om kracht. Onze platen zijn koud vouwbaar tot -15 graden, wat in de Nederlandse winter meestal geen enkel probleem geeft. Maar staal dat onder de nul graden gevouwen wordt, veert net iets anders terug dan staal bij twintig graden. Wie op een vorstige ochtend een hoek zet en er ’s middags in de zon nog een naast plaatst, kan een klein maatverschil tussen die twee zetten zien ontstaan. Dat is geen materiaalfout, dat is thermisch gedrag, en het is precies waarom wij aanraden om een serie zetwerk op één moment van de dag te maken in plaats van verspreid over uren met wisselende temperatuur.
De kern van het verschil met zink is dus niet dat felsplaat minder nauwkeurig is; hij is juist nauwkeuriger op de fabrieksmaat. Het verschil is dat hij die nauwkeurigheid niet inlevert om een oneffen ondergrond te vergeven. Bij zink kreeg u soms een tolerantie cadeau van het materiaal zelf. Bij felsplaat moet u die tolerantie bewust inbouwen: in de meetronde vooraf, in de volgorde van leggen, en in de marge op de laatste baan. Dat is een andere werkwijze, niet een slechtere.
Voor de aannemer die dat wil doorrekenen is het verstandig om, naast deze bouwkundige tolerantie, ook te kijken naar wat er ná het leggen met de plaat gebeurt: temperatuurwisselingen, windbelasting, de manier waarop de klem de plaat vasthoudt. Die zaken werken door op hoe strak u de banen aanvankelijk mag leggen, en dat behandelen wij niet hier maar bij de bevestiging op klikzink.com. Voor de vraag hoe een felsdak zich verhoudt tot dakhelling en de opbouw eronder, verwijzen wij naar klikfels.com, en wie kleur en glans wil afstemmen op een bestaand gebouw vindt dat op zinklook.com.
Meet de bouw zelf op, niet alleen de tekening, en meet op minstens drie punten over de lengte van elk vlak. Bestel de felsbanen op basis van die kleinste maat plus een kleine marge aan de kant waar u als laatste legt, zodat de speling daar terechtkomt en niet in het midden van het vlak. Wilt u meedenken op uw eigen tekening voordat u bestelt? Dat kost bij ons niets, en wij kijken er samen met u naar hoeveel marge nodig is voor uw specifieke situatie. Neem daarvoor contact op met Klikzink, Boylestraat 22 in Ede, en vraag gelijk de monsters van de drie kleuren aan als u die nog niet in huis heeft.