Klikzink
De onderkant van een felsplaat is geen afgewerkte kant. Aan de bovenzijde zit de organische coating die het aanzicht bepaalt, maar de achterzijde is de kant die tegen de ondergrond of de dakconstructie aan komt te liggen. Die kant is bedoeld om vocht te kunnen afgeven, niet om vocht tegen te houden. Als daar structureel water tegenaan blijft staan, zonder dat het weg kan, ontstaat op termijn een probleem dat niets te maken heeft met de kwaliteit van de plaat zelf, maar alles met de opbouw daaronder.
Wij krijgen deze vraag regelmatig van aannemers die een felsplaat rechtstreeks op een dichte ondergrond willen leggen, bijvoorbeeld op underlayment zonder ventilatie of op een dampdichte laag zonder afvoer. Het antwoord is dan steeds hetzelfde: de plaat kan dat vocht niet zelf verwerken. Zink verzinkt staal is duurzaam tegen weersinvloeden van boven, maar de achterzijde heeft een dunnere beschermlaag en is niet berekend op langdurig contact met condenswater dat nergens heen kan. Welke opbouw daaronder wel werkt, met voldoende ventilatie of een geschikte dampremmende laag, is een vraag over de dakconstructie en niet over de plaat. Die hoort dan ook niet hier, maar bij de technische randvoorwaarden op klikfels.com.
Wat wij hier wel behandelen, is wat die achterzijde betekent voor hoe u de plaat bestelt en aanlevert. Een felsplaat wordt geleverd in banen met een werkende breedte van 475 mm, op de millimeter afgekort van 450 tot 8000 mm lengte. Die 475 mm is de breedte die na het felsen daadwerkelijk dekt, dus niet de brutobreedte van het plaatmateriaal voor bewerking. Voor de berekening van uw bestelling is dat de maat die telt.
Om het aantal banen te bepalen, deelt u de breedte van het te bekleden vlak door 475. Bij een dakvlak van 4750 mm breed komt daar precies tien uit, en dat is de situatie waar iedereen op hoopt: een rond aantal, geen restmaat, geen keuzes. In de praktijk komt dat maar zelden voor. Stel dat het vlak 5100 mm breed is. Dan geeft de deling 5100 gedeeld door 475 een uitkomst van iets meer dan tien komma zeven. U heeft dus elf banen nodig, waarvan tien op volle breedte van 475 mm en één baan van de restbreedte, in dit geval ongeveer 350 mm.
Die restbreedte is meteen het punt waar de achterzijde weer terugkomt. Een smallere baan aan de rand van het dakvlak grenst vaak aan een overstek, een goot of een aansluiting waar meer vocht en vuil samenkomen dan in het midden van het vlak. Of die smalle baan aan de kant van de goot komt of aan de kant van de nok, is dan ook niet alleen een kwestie van aanzicht. Wij raden aan om bij twijfel de volle banen aan de meest zichtbare en meest blootgestelde kant te leggen, en de restbaan juist daar te plaatsen waar de opbouw eronder het beste is voorbereid op vocht dat via de rand naar binnen kan trekken. Hoe die aansluiting er precies uit moet zien, bijvoorbeeld zoals wij uitleggen bij de aansluiting op de nok, hangt af van de rest van de dakopbouw en dat behandelen wij op deze site niet verder.
Een veelgemaakte aanname is dat een restbaan van bijvoorbeeld 350 mm net zo goed te verwerken is als een volle baan van 475 mm. Materiaaltechnisch klopt dat: de plaatdikte van 0,55 mm en de opbouw met de sendzimir verzinking van 275 g/m2 aan beide zijden veranderen niet met de breedte. Maar een smallere baan heeft verhoudingsgewijs meer rand ten opzichte van het vlak, en juist bij de rand is de kans op vocht dat langs de achterzijde omhoog trekt het grootst. Bij een dakvlak met een lage helling, dicht bij de ondergrens van zes graden waarvan felsplaten toepasbaar zijn, is die marge kleiner dan bij een steil dakvlak. Ook dat is een vraag over de hellingopbouw en hoort bij klikfels.com, maar voor uw bestelling betekent het dat u de restbaan het beste bewust plaatst in plaats van hem toe te wijzen aan de kant die nu net overblijft in de tekening.
Een voorbeeld uit de praktijk: bij een schuine kap van 6200 mm breed geeft de deling door 475 een uitkomst van net onder de dertien. Dertien volle banen zouden 6175 mm dekken, dus er blijft 25 mm over, te weinig voor een zinvolle aparte baan. In zo'n geval is het gebruikelijker om twee banen iets smaller te maken, bijvoorbeeld twaalf banen op volle breedte en twee op ongeveer 500 mm, zodat de overgang niet als een dun reststrookje aan de rand oogt en de aansluiting bij goot of nok een fatsoenlijke maat overhoudt om aan te sluiten. Wij denken hierin mee op basis van uw tekening, zonder kosten, en leveren de banen op de gevraagde maten aan.
Om het aantal banen goed te berekenen, hebben wij de exacte breedte van het vlak nodig, gemeten op de bouw of op tekening, en niet de maat uit een globale opgave. Een verschil van enkele centimeters verandert soms wel degelijk of er twaalf of dertien banen nodig zijn, en dat werkt door in de hoeveelheid materiaal en in de plaatsing van de restbaan. Wij leveren op de millimeter af, van 450 tot 8000 mm lengte, dus de nauwkeurigheid van de berekening ligt vooral bij de opgegeven breedte van het vlak.
Daarnaast is het nuttig om vooraf te weten aan welke kant van het dakvlak de restbaan het beste past, zodat wij die meteen op de juiste maat kunnen zagen in plaats van dat op de bouw met resthoeveelheden werk gemaakt moet worden. Hoe u een plaat eventueel zelf op de bouw afkort als de situatie toch afwijkt van de tekening, leest u apart bij het afkorten op de bouw. Dat is een andere vraag dan de berekening van het aantal banen vooraf, en beide onderwerpen lopen in de praktijk vaak in elkaar over zodra een dakvlak net niet de maat heeft die op papier stond.
Meet het vlak dat u wilt bekleden zo nauwkeurig mogelijk op, deel de breedte door 475 en bepaal zo hoeveel volle banen u nodig heeft en welke restbreedte overblijft. Bekijk vervolgens aan welke kant van het vlak die restbaan het beste past, gelet op de aansluiting bij goot of nok en op de blootstelling aan vocht en weer. Geef ons de gemeten breedte en de gewenste plaatsing van de restbaan door, dan werken wij dat uit tot een bestelling met banen op maat, afgekort op de millimeter en gereed om te leggen.