Klikzink
Onze felsbanen komen op de millimeter afgekort aan op de bouw. Toch valt er op locatie altijd nog iets te passen: een schuine hoek bij een dakkapel, een aansluiting op een schoorsteen, een baan die net niet klopt met de tekening. Dan moet er gezaagd of geknipt worden, en de keuze van het gereedschap bepaalt niet alleen hoe netjes de snede wordt, maar ook hoe lang die snede meegaat voordat er roest ontstaat.
Een handschaar of een blikschaar knipt de plaat door vervorming: het staal wordt aan twee kanten ingedrukt tot het bezwijkt. Dat gaat snel, maar de rand krult vaak licht om en de coating aan de snijkant scheurt onregelmatig af. Bij een nibbelmachine wordt telkens een klein stukje materiaal uitgestanst. De rand blijft rechter dan bij knippen, er is nauwelijks vervorming van de plaat verderop, maar de snede is nooit helemaal glad: er blijft een lichte golving zichtbaar, vooral bij bochten. Voor een rechte lijn over een lange baan is dat meestal geen probleem, voor een strakke schuine kant bij een dakkapel kan het wel opvallen.
Zagen met een fijne, hardmetalen tand geeft de netste snede van de drie. Er is geen vervorming van het plaatoppervlak, de rand blijft recht en de coating loopt tot vlak bij de zaaglijn intact door. Het kost meer tijd dan knippen en er ontstaat zaagsel, dat direct weggeborsteld moet worden voordat het op de plaat blijft liggen en roestvlekjes veroorzaakt. Voor lange, rechte sneden op een grote oppervlakte is zagen met een fijne tand de beste keus als het uiterlijk van de rand meetelt; voor snel even een stukje afknippen bij een detailaansluiting is een schaar vaak praktischer.
Alle drie de methoden hebben één ding gemeen: op de snijkant zelf ligt geen coating meer en ligt het staal, of op zijn best de zinklaag, bloot. Dat is onvermijdelijk bij elke vorm van op maat maken op de bouw. Het verschil zit in hoe grof die kant is. Een grove, gerafelde rand van een botte schaar heeft meer bloot metaal en meer scherpe randjes waar vocht blijft hangen dan een gladde zaagsnede. Bij nibbelen ligt er vaak fijn metaalstof in de golving van de snede, en dat stof roest sneller dan de rand zelf omdat het geen zinklaag heeft. Hoe u die snijkant vervolgens afwerkt en beschermt, leggen wij uitgebreid uit bij het afwerken van de snijkant; hier is het vooral van belang om te weten dat een nette snede met een fijne tand u daarbij een voorsprong geeft.
Er is nog een tweede reden om de zaag te verkiezen boven de schaar bij zichtbare randen: warmte. Zagen met een fijne tand op lage toerentallen genereert weinig hitte, knippen met een botte schaar juist meer wrijving en plaatselijke opwarming. Bij onze coating van 50 micrometer maakt een beetje warmte op zich weinig uit, maar in combinatie met een gerafelde rand versnelt het wel het moment waarop daar de eerste roestvorming zichtbaar wordt. Een dakdekker die zijn schaar goed onderhoudt en scherp houdt, voorkomt dit grotendeels; een botte schaar die al maanden in de bus ligt, is vaak de eigenlijke boosdoener, niet de methode zelf.
Het grote voordeel van banen die al op de millimeter zijn afgekort, is dat er nauwelijks snijverlies overblijft. Bij plaatmateriaal dat van de rol komt, moet iedere baan nog op lengte gebracht worden, en dat levert per baan een restje op dat niet meer past. Bij honderd banen op een dak loopt dat op tot een aanzienlijke hoeveelheid afval en resten die eigenlijk nergens meer voor te gebruiken zijn. Omdat wij de platen op maat leveren, valt dat verlies bij de meeste rechte daken en gevels vrijwel weg: de baan komt aan in de lengte die nodig is, en er blijft weinig meer over dan wat stukjes bij de randen.
Waar het verlies dan wél zit, is bij geometrie die niet in een rechte lijn te vangen is. Een schuine kap bij een dakkapel vraagt om een baan die schuin wordt afgezaagd, en het driehoekige reststuk dat daarbij vrijkomt, is voor die dakkapel niet meer te gebruiken. Hetzelfde geldt voor de opgaande kanten van een dakkapel zelf, waar meerdere korte, schuine sneden nodig zijn en het verlies per vierkante meter dakoppervlak veel hoger uitvalt dan op een recht dakvlak. Ook bij aansluitingen, zoals rond een schoorsteen, een dakraam of de overgang naar een aangrenzend dakvlak, wordt er vaak op de bouw bijgezaagd en ontstaat er verlies dat u vooraf niet altijd nauwkeurig kunt inschatten vanaf de tekening.
Wie dat verlies wil beperken, doet er goed aan om bij dat soort details vooraf goed op te meten en, waar mogelijk, de schuine maten al in de bestelling te laten verwerken. Onze werkvoorbereiding denkt daar kosteloos in mee: geef de schuine hoek van de dakkapel of de exacte maatvoering van een aansluiting door, en wij zagen de baan zo veel mogelijk al op maat af voordat hij naar de bouwplaats gaat. Dat scheelt niet alleen restmateriaal, maar ook zaagwerk op de steiger, waar de omstandigheden minder gunstig zijn dan in onze werkplaats.
Houd voor rechte, lange sneden de fijne tand aan wanneer de rand zichtbaar blijft, en bewaar de schaar voor snel werk op plekken waar de snijkant toch wordt afgedekt. Werk elke snijkant, ongeacht het gereedschap, meteen na het zagen of knippen af zoals beschreven bij het afwerken van de snijkant, en borstel zaagsel en metaalstof direct weg voordat het op de plaat kan roesten. Meet bij dakkapellen en schuine aansluitingen vooraf zo nauwkeurig mogelijk op en leg die maten aan ons voor, zodat wij het grootste deel van het zaagwerk al in de werkplaats voor u doen en het snijverlies op de bouw tot een minimum beperkt blijft.