Klikzink
Er zijn momenten waarop een gat door de felsplaat onvermijdelijk is: een doorvoer voor een afvoerpijp, een bevestigingspunt voor een antenne, een beugel die later nog ergens aan moet hangen. Wij behandelen op deze pagina niet de vraag of dat gat er wel moet komen, of wie daarover beslist — dat leest u terug in de andere kennisbankartikelen over boren. Hier gaat het om iets anders: hoe u ziet dat het gat goed is geboord, en tot welk moment u dat nog kunt corrigeren voordat het onderdeel van het dak of de gevel is geworden.
Een geboord gat in 0,55 mm staal met een organische coating van 50 micrometer is in een paar seconden klaar, en precies dat maakt het lastig te controleren achteraf. De boor is er doorheen voordat u goed heeft kunnen kijken wat er onder de punt gebeurde. Daarom is de controle die ertoe doet niet de controle na het boren, maar de voorbereiding vóór het boren en de directe inspectie van de rand zodra de boor eruit is.
De plaatdikte van 0,55 mm buigt weg onder de druk van een boorpunt als er niets onder zit. Dat wegbuigen geeft een opgetrokken, ovale rand in plaats van een rond gat, en precies op die opgetrokken rand breekt de coating het eerst. Om dat te voorkomen legt u een steunplaat onder het punt waar u boort: een stuk hout, multiplex of een steunblokje, zo dicht mogelijk tegen de onderzijde van de felsplaat. Bij een dakdekker die een beugel bevestigde op een plat vlak zagen we het verschil in twee minuten tijd: het eerste gat, geboord zonder steun, kreeg een opstaande braam van bijna een millimeter. Het tweede gat, met een blokje hout eronder gehouden door een tweede man, kwam er vlak en rond uit. Dezelfde boor, dezelfde plaat, ander resultaat — het scheelde alleen de steun onder de punt.
Bij een doorvoer op een aansluiting is er vaak al een vaste ondergrond aanwezig, en dan is de vraag niet of u kunt steunen, maar of die ondergrond wel dicht genoeg tegen de plaat aan zit. Een spouw van een paar millimeter tussen plaat en ondergrond is al genoeg om de plaat te laten doorbuigen voordat de boor doorbreekt. Voel dus, voordat u de boor aanzet, of de plaat op die plek al meegeeft onder lichte druk van uw hand. Geeft hij mee, dan mist u steun en moet u die eerst regelen.
De controle die u wél op tijd kunt doen, is de controle van de rand meteen na het boren, terwijl u er nog bij staat. Draai de boor los eruit in plaats van hem terug te trekken, en kijk aan beide zijden van het gat: aan de bovenzijde, waar de boor inging, en aan de onderzijde, waar hij uitkwam. Een goed gat is rond, de rand ligt vlak met het plaatoppervlak, en de coating rond de rand is niet opgekruld of afgesprongen. Een gat waarbij de rand aan de onderzijde is uitgescheurd of opstaat, is het teken dat er te weinig steun onder zat of dat het toerental te hoog was voor de dikte van het materiaal.
Dit is ook het moment waarop u nog iets kunt doen. Zolang het gat nog los is — er is nog geen afdichting aangebracht, er hangt nog geen beugel aan — kunt u de opstaande rand met een kleine ronde vijl of een afbraamschijfje voorzichtig terugbrengen tot vlak, en de blootliggende rand bijwerken met een likje coatingreparatie. Wacht u tot de afdichting erop zit, dan zit die opgetrokken rand verstopt onder het rubber of de kit, en ziet u het pas terug op het moment dat er lekkage optreedt — vaak pas na een winter met vorst en dooi, als de rand door temperatuurwisseling verder is gaan werken. De controle die telt is dus niet de controle bij oplevering, maar de controle binnen de minuut na het boren.
Bij meerdere gaten op een rij, zoals bij een reeks bevestigingspunten voor een leiding, loont het om na het eerste gat een kort moment te nemen om de methode te beoordelen voordat u doorgaat. Is de steun goed, het toerental passend en de rand vlak, dan herhaalt u exact dezelfde aanpak voor de volgende gaten. Is er iets misgegaan, dan corrigeert u dat nu, met één gat als leergeld, in plaats van bij tien gaten achteraf te moeten constateren dat ze allemaal dezelfde opstaande rand hebben.
Zodra het gat vlak en rond is, is uw werk aan de plaat zelf klaar, maar daarmee is het gat nog niet afgewerkt. Wat er vervolgens om het gat heen moet gebeuren — welke manchet, welke kit, in welke volgorde ten opzichte van de klemmen die de plaat vasthouden — is een vraag over de bevestiging en de opbouw, niet over de plaat, en die beantwoorden wij niet hier. Diezelfde grens speelt bij een doorvoer die vlak bij de rand van een baan zit: of die combinatie standhoudt, hangt af van hoe de klem daar de plaat vasthoudt, zoals wij uitleggen bij [de aansluiting op de nok](/felsplaat/baanlengte-bepalen/snijkant-afwerken) waar een vergelijkbare rand ontstaat en op dezelfde manier gecontroleerd moet worden voordat er iets overheen komt.
Ook de vraag of er op deze plek eigenlijk wel geboord had moeten worden, valt buiten wat wij hier behandelen. Wie die beslissing neemt en op welk moment in het bouwproces die keuze wordt gemaakt, leest u terug in de kennisbank over wie er in de plaat boort en wanneer dat gebeurt. Gaat het om een doorvoer voor een montagesysteem van zonnepanelen, dan ligt de vraag welke doorvoer daarbij past en waar die moet komen niet bij ons, maar bij de site die specifiek over die combinatie gaat.
Als er op uw project vandaag geboord moet worden: leg eerst iets stevigs tegen de onderzijde van de plaat op de plek waar de boor doorkomt, boor met een toerental dat past bij dun plaatstaal, en draai de boor los in plaats van hem terug te trekken zodat u de rand aan beide zijden kunt bekijken voordat u verder gaat. Is de rand niet vlak, werk hem dan nu bij — dat kost twee minuten, tegen een probleem dat u anders pas na de winter terugziet. Twijfelt u over de steun die u nodig heeft bij een specifieke ondergrond of over de volgorde met de bevestigingsklemmen, neem dan contact met ons op: wij denken kosteloos mee, ook als het maar om één gat in één plaat gaat.