Klikzink
Wanneer u het aantal banen voor een dak of gevel berekent, deelt u de breedte van het vlak door de werkende breedte van 475 mm. Meestal komt daar geen rond getal uit. Wat overblijft is een reststrook, en die reststrook is precies de plek waar u met een snijkant te maken krijgt. Voordat u die rekensom maakt, is het goed te weten wat een snijkant eigenlijk is en waarom hij in de meeste gevallen geen probleem vormt, maar in een paar gevallen wel aandacht verdient.
Onze felsbanen zijn Sendzimir verzinkt: de zinklaag zit aan beide zijden van de plaat, onder de organische coating. Zolang u een plaat in de fabriek op maat laat afkorten of op de bouw met de juiste gereedschappen doorsnijdt, blijft die zinklaag over het grootste oppervlak intact. Maar op de plek waar het staal daadwerkelijk wordt doorgesneden, ontstaat een rand van enkele tienden van een millimeter waar geen zink meer zit. Dat is geen fabricagefout en geen gebrek: het is een onvermijdelijk gevolg van het snijden zelf. Zink kan namelijk niet meesnijden met het staal; op de snijlijn ligt letterlijk alleen het kale materiaal.
Of die kale snijkant iets uitmaakt, hangt af van waar hij zit en hoe hij in het dak of de gevel ligt. Bij een rand die verwerkt wordt in een fels, dus opstaand en afgedekt door de volgende baan of door een eindstuk, ligt de snijkant beschermd. Water kan er niet lang op blijven staan en de rand zit niet voortdurend nat. In de praktijk zien we op dat soort plekken nauwelijks iets gebeuren, ook niet na jaren.
Anders wordt het bij een snijkant die plat blijft liggen op het vlak, bijvoorbeeld bij een inkorting midden op een dakvlak waar de rand niet wordt afgedekt, of bij een gat dat is uitgeslepen voor een doorvoer. Daar kan de rand wel geregeld natgeregend en weer opgedroogd worden. Dat is de reden waarom wij aanraden om snijranden die zichtbaar en onbeschermd blijven, waar mogelijk aan de onderzijde te leggen of anders af te werken. Voor het boren van gaten en het afwerken daarvan verwijzen we naar wat wij schrijven over [boren in de plaat](/felsplaat/aantal-banen-berekenen/boren); dat is een net iets ander vraagstuk dan het zagen van een rechte snede, maar het uitgangspunt over de kale rand is hetzelfde.
Bij het doorzagen of doorknippen van de plaat komen metaalspanen vrij. Die spanen zijn klein, vaak nauwelijks zichtbaar, maar ze zijn wel heet en scherp op het moment dat ze vrijkomen, en ze blijven na het zagen op het vlak liggen. Een spaan die op de plaat blijft liggen, kan op regenachtige dagen gaan roesten. Dat roestpuntje zit dan niet in het materiaal van de plaat zelf, maar op het oppervlak, en het kan een bruin vlekje achterlaten dat opvalt tegen de matte kleur van de coating.
Om die reden vegen of blazen wij, en raden wij ook aan, spanen direct na het zagen van het vlak. Niet aan het einde van de werkdag, maar meteen na elke snede. Op een schuin dakvlak rollen spanen vaak vanzelf weg, maar op een plat gelegde plaat of in een gootprofiel blijven ze liggen tot iemand ze verwijdert. Wie met een haakse slijper werkt, moet extra alert zijn: die machine verspreidt spanen over een groter oppervlak dan een handzaag, en de spanen zijn dan ook nog heter. Voor het gereedschap zelf, en de keuze daarin, gaan wij dieper in bij onze pagina over [zagen en knippen](/felsplaat/aantal-banen-berekenen/zagen-en-knippen).
Terug naar het aantal banen. De werkende breedte van 475 mm is het getal waarmee u rekent: de breedte van het dak- of gevelvlak deelt u door 475 om te weten hoeveel volle banen erin passen. Vrijwel altijd blijft er een rest over die kleiner is dan 475 mm. Die rest bepaalt of er een extra, smallere baan bij moet, en zodra die baan er is, ontstaat er een snijkant aan de lengtezijde van die baan.
Stel dat een gevelvlak 3200 mm breed is. Gedeeld door 475 komt daar 6,7 baan uit: zes volle banen van 475 mm nemen 2850 mm in, en er blijft 350 mm over. Die 350 mm wordt de zevende, smallere baan. Aan de lange zijde van die baan, waar hij is versneden uit een bredere plaat, ontstaat de kale snijkant waar we het hierboven over hadden. De vraag is dan niet alleen hoe u die rand afwerkt, maar ook aan welke kant van het vlak u die smalle baan het beste legt.
In de praktijk plaatsen wij die smalle baan liever aan een kant van het vlak die minder in het zicht valt, of aan de kant waar een aansluiting toch al met een eindprofiel wordt afgewerkt. Dan valt de snijkant samen met een rand die al wordt afgedekt, en hoeft u er geen aparte voorziening voor te treffen. Ligt de smalle baan midden in het vlak, tussen twee volle banen, dan krijgt u twee snijkanten die zichtbaar in het midden van het dak of de gevel liggen: dat is zowel voor het aanzien als voor de afwerking minder gunstig. Voor de basis van deze rekensom, zonder de vraag van de snijkant, verwijzen we naar onze pagina over [het aantal banen berekenen](/felsplaat/aantal-banen-berekenen).
Wanneer u vooraf al weet dat er een smalle baan nodig is, kunt u er ook voor kiezen die in de fabriek exact op maat te laten walsen, met een fels aan beide zijden. Dan vervalt de noodzaak om zelf ter plekke een strook af te korten, en blijft de kale snijkant beperkt tot de plek waar u toch al een dwarsverbinding moet maken. Dat is met name praktisch bij kleinere oppervlakken, waar de meerkosten van een extra maatvoering opwegen tegen het gemak op de bouw.
Houd bij het berekenen van het aantal banen niet alleen de breedte van het vlak in de gaten, maar ook waar de overblijvende strook het beste past. Leg een smalle baan met een snijkant zo veel mogelijk tegen een rand die al wordt afgedekt, en zorg dat spanen na iedere snede direct van het vlak worden verwijderd voordat ze kunnen gaan roesten. Wilt u een exacte maatvoering voor uw project, inclusief een reststrook die al op maat gewalst is, dan denken wij daar kosteloos in mee op basis van uw tekening.