Klikzink
Een felsplaat is een stalen plaat van 0,55 mm dik. Dat is dun genoeg om koud te vouwen tot -15 graden, en dun genoeg om met een klap van een gereedschapskist of een verkeerd geplaatste voet een deuk te krijgen die er niet meer uit gaat. Dat geldt voor elke felsplaat, in elke uitvoering van het vlak. Maar hoe groot het risico is, en waar op het dak het risico het grootst is, hangt sterk af van hoe de banen zijn ingedeeld voordat de eerste plaat wordt gelegd.
Staal van 0,55 mm heeft een beperkte veerkracht. Binnen die grens buigt de plaat terug als u erop drukt en weer loslaat. Zodra de belasting groter is dan die grens, buigt het materiaal blijvend door. Er is geen vlakspecialist en geen truc met een hamer die dat ongedaan maakt zonder sporen achter te laten. Anders dan een kras, die vooral de coating raakt, gaat een deuk door de plaat zelf. U ziet hem terug in het licht dat over het vlak scheert, van dichtbij en van veraf, jaren later nog. Bij een plaat met verstijvingsril of met micro-lines valt een lichte deuk soms iets minder op dan bij een volledig vlakke uitvoering, omdat het patroon het licht al breekt, maar verdwijnen doet hij niet. De enige remedie is voorkomen: goed plaatsen van het gewicht, en een looppad waar dat kan.
Op een gelegde felsplaat mag u lopen, mits u dat doet op de fels of vlak naast de fels, waar de plaat door de klemmen wordt ondersteund. Midden op een brede baan, tussen twee felsen in, ligt het staal los boven de dakopbouw en geeft het meer mee onder uw gewicht. Een voet die daar met enige kracht neerkomt, een knie die u zet om iets aan te reiken, een kruiwagen die er dwars doorheen wordt gereden: dat zijn de momenten waarop een deuk ontstaat. Bij regen of vorst is het risico groter, niet omdat het staal dan zwakker is, maar omdat u minder controle heeft over waar uw voet precies landt. Voor wat vorst met de plaat zelf doet, en waarom gladheid daar nog bovenop komt, verwijzen we naar wat wij schrijven over werken bij vorst.
Een loopplank is op vrijwel elke bouwplaats aanwezig en kost niets extra om mee te nemen naar het dak. Gelegd over twee of drie felsen, verdeelt hij het gewicht van een persoon over een groter oppervlak en voorkomt hij dat het volle gewicht op één punt van het vlak terechtkomt. Op een groot dakvlak, waar het lossen van pakketten, het aanreiken van gereedschap en het aflopen van de belegde banen zich herhaalt, is een loopplank het verschil tussen een dag zonder schade en een dag met drie deuken die u pas ontdekt als de zon er 's middags overheen schijnt.
De banenindeling van het vlak, die wij uitgebreider behandelen op de pagina over de banenindeling van het vlak, bepaalt niet alleen hoeveel materiaal u nodig heeft en waar de reststrook komt. Ze bepaalt ook waar tijdens de uitvoering het meeste risico op vervorming zit. Waar de eerste baan begint, bepaalt waar de laatste baan eindigt, en daarmee ook welk deel van het dak het langst onbelegd of half belegd blijft terwijl er nog gewerkt wordt.
Bij een symmetrische indeling, met twee even brede reststroken aan weerszijden van het vlak, verdeelt u het looppad van de installatie gelijk over beide kanten. Er is geen kant die extra vaak belopen wordt om het werk aan de andere kant te bereiken. Bij een indeling die tegen één zijde aan begint, met de volledige reststrook aan de andere kant, ligt het voor de hand dat de gelegde banen aan de brede kant vaker als looppad dienen, simpelweg omdat daar het meeste werk al klaarligt en de kortste weg naar de rand van het dak loopt. Diezelfde banen zijn dan ook de banen waar de meeste voetstappen, de meeste kruiwagens en de meeste neergezette gereedschapskisten samenkomen.
De smalle reststrook die bij een indeling tegen één zijde overblijft, is in de praktijk vaak het laatste stuk dat wordt gelegd. Tegen die tijd is er al over het grootste deel van het dak gelopen, en juist daar, op het smalste stuk plaat, is de marge om nog te corrigeren het kleinst: een smalle baan heeft aan weerszijden een fels, maar in het midden nog steeds een stuk vlak waar dezelfde regel geldt als bij een brede baan. Hoe u die reststrook precies afkort en waar u hem het beste plaatst, staat beschreven bij het afkorten op de bouw; hier gaat het erom dat een reststrook die als laatste wordt gelegd, extra aandacht vraagt omdat de druk om snel klaar te zijn dan het grootst is.
Op een dakvlak dat volgens plan in fasen wordt belegd, is het verstandig om de looproutes vooraf te bepalen op basis van de banenindeling, niet pas als de eerste banen al liggen. Als de indeling symmetrisch is, ligt het voor de hand het looppad in het midden te houden en van daaruit naar beide zijden te werken, zodat geen enkele baan structureel zwaarder belast wordt dan de andere. Als de indeling tegen een zijde aan gaat, is het zinvol om net iets vaker een loopplank te verleggen, ook als dat een paar minuten extra tijd kost, om te voorkomen dat steeds dezelfde banen de klappen opvangen.
Het gewicht van de plaat zelf, ongeveer 5 kg per vierkante meter, speelt in dit verhaal geen rol van betekenis: het gaat niet om wat de plaat zelf weegt, maar om wat er tijdens de uitvoering op de plaat terechtkomt. Voor wat er allemaal wél op de plaat neerkomt aan gereedschap, kruiwagens en het lopen zelf, zijn er ook praktische kanten die verder gaan dan alleen vervorming: hoe u de plaat optilt en draagt zonder hem te beschadigen, leest u bij het tillen en dragen van de plaat, en wat een gladde of natte plaat met de grip van uw schoenen doet, komt aan de orde bij werken in de volle zon en bij werken bij vorst.
Bekijk de banenindeling van uw project voordat de eerste plaat wordt gelegd, en bepaal aan de hand daarvan waar de zwaarste looproutes komen te liggen. Leg voor die routes een loopplank neer, verplaats hem mee met het werk, en wijs op de bouwplaats aan wie er nieuw bijkomt waar wel en niet gelopen mag worden. Een deuk kost u niets aan materiaal om te herstellen, want herstellen kan niet; hij kost u alleen de plaat, en die vervangt u niet voor de kosten van een loopplank die u al had kunnen neerleggen.