Klikzink
Een felsplaat wordt in de regel blind bevestigd: de klemmen grijpen onder de fels, en er komt geen schroef door het vlak. Toch zijn er situaties waarin u wél door de plaat moet boren, en dan telt hoe u dat doet en wat u eronder legt net zo zwaar als de indeling van het vlak die aan het boren voorafgaat.
De meeste boorgaten in een felsdak of -gevel zitten niet in het vlak van de baan zelf, maar in doorvoeren: een hemelwaterafvoer, een rookkanaal, een dakraam, een bevestigingspunt voor een antenne of een klimhaak. Ook bij het monteren van een drager voor zonnepanelen komt boren in de plaat voor, al gaat dat over de constructie van die drager en niet over de plaat; daarvoor verwijzen we u naar solarfels.com. Op de plaat zelf, in het vlak tussen twee felsen, boort u alleen als daar echt geen andere oplossing voor is. Elke doorboring is namelijk een plek waar water een weg naar binnen kan vinden, en dat is nooit de bedoeling van een felsdak.
Als u toch moet boren, dan is de klap van de boor het probleem, niet het gat zelf. Onze plaat is 0,55 mm dik verzinkt staal met een organische coating van 50 micrometer erop. Die coating is dun en taai, maar niet ongevoelig voor een boor die met te veel toeren en te weinig druk door het staal heen wil. Zonder steun onder de plaat drukt de boorpunt het materiaal rond het gat een fractie naar binnen voordat hij doorbreekt, en dat geeft een opstaande rand aan de onderzijde en een ingedrukte rand aan de bovenzijde. Op een plaat van maar 0,55 mm is die vervorming met het blote oog te zien, en hij is niet meer glad te strijken.
De vuistregel is simpel: leg altijd een stevige, vlakke onderlegger onder de plaat op de plek waar u boort. Een blok hardhout, een stalen plaatje of een speciaal boorblokje werkt goed, mits het contactvlak groot genoeg is om de druk van de boorpunt te verdelen. Boort u zonder onderlegger, dan werkt de plaat als een trampoline: hij veert weg voor de boor in plaats van dat hij doorbroken wordt, en precies dat wegveren geeft de deuk rond het gat. Dezelfde logica geldt trouwens bij het zagen en knippen van de plaat, waar wij dieper op ingaan bij zagen en knippen bij de banenindeling van het vlak, en die vervorming door een verend werkstuk komt breder terug in wat wij schrijven over vervorming bij het leggen.
Neem ook de tijd voor het boren zelf. Een scherpe metaalboor, laag toerental, gestage druk, en op het moment dat de punt doorbreekt de druk iets terugnemen: dat voorkomt dat de boor het laatste stukje staal wegrukt in plaats van snijdt. Na het boren blijft er een rafelige rand met blank metaal achter, en die rand moet afgewerkt worden voordat er ook maar een bout doorheen gaat, anders begint daar roestvorming voordat het dak een jaar oud is. Hoe u die snijkant behandelt, ook na zagen, leest u bij de snijkant afwerken bij de banenindeling van het vlak.
De plaats waar u moet boren, ligt zelden in het midden van een baan. Vaak is het een doorvoer die op tekening op een vaste plek in de gevel of het dak staat, en de vraag is dan niet of u daar mag boren, maar in welke baan dat punt terechtkomt en hoe dicht dat bij een fels of bij de rand van de plaat ligt. En dat wordt bepaald door de banenindeling, dus door de keuze waar de eerste baan begint.
Begint u het vlak symmetrisch, met een volle baan in het midden en aan beide zijden een gelijke reststrook, dan ligt een doorvoer die in het midden van de gevel getekend staat meestal ruim in een volle baan, met voldoende plaat rondom om het boorgat netjes te kunnen ondersteunen en af te werken. Begint u daarentegen tegen één zijde aan, met de eerste volle baan tegen de kopgevel en de resterende, vaak smallere strook aan de andere kant, dan kan diezelfde doorvoer plotseling in die smalle reststrook vallen. En een smalle strook geeft weinig plaat om een onderlegger goed aan te leggen, en weinig marge tot de rand van de plaat om nog een tweede boorgat te zetten als het eerste net niet goed valt.
Het is dus verstandig om, voordat u de eerste baan legt, na te gaan waar de doorvoeren op tekening staan en te kijken hoe die punten in de gekozen indeling terechtkomen. Ligt een doorvoer vlak bij een fels, dan is boren daar extra lastig: de fels zelf is een stijve, hoog opstaande rand van 35 mm en die zit in de weg bij het aanleggen van een onderlegger over de volle breedte van de plaat. Ligt een doorvoer vlak bij de rand van een smalle reststrook, dan is er behalve weinig steun ook weinig marge om een fout te herstellen: een tweede poging naast een mislukt gat is in een smalle strook van bijvoorbeeld 150 mm breed simpelweg niet altijd te doen. Hoe die keuze tussen symmetrisch indelen en tegen een zijde aan werkt, en wat dat voor de reststrook betekent, leggen we uitgebreider uit bij de banenindeling van het vlak; hier gaat het er vooral om dat u die keuze mede laat meewegen door te kijken waar er in het vlak geboord moet worden.
In de praktijk betekent dat: leg de tekening met alle doorvoeren naast de indeling van het vlak voordat u een streep zet. Een doorvoer die in een volle baan valt, ruim uit de buurt van felsen en randen, is met een goede onderlegger in enkele minuten netjes te boren en af te werken. Diezelfde doorvoer in een smalle reststrook tegen de rand kan een halve baan opnieuw laten zagen, of dwingt u tot een minder mooie oplossing dan u had gewild.
Combineer de indeling van het vlak met de plek van elke doorvoer voordat de eerste baan gelegd wordt, en kies zo nodig voor symmetrisch indelen als dat de doorvoeren verder uit de felsen en verder uit een smalle reststrook houdt. Boort u toch dicht bij een rand of een fels, leg dan een extra stevige onderlegger en werk met lage snelheid. Heeft u twijfels over een indeling met meerdere doorvoeren op één vlak, dan denken wij daar op tekening kosteloos in mee, en dat geldt evengoed voor vragen over de maatvoering van de platen zelf.