Klikzink
Onze felsbanen komen van de wals met een organische coating erop: GreenCoat Pural BT, 50 micrometer dik, biobased. Dat is geen verflaagje dat u er later nog even overheen doet. De coating zit al op de plaat voordat hij de fabriek verlaat, aan beide zijden, en die 50 micrometer is precies de dikte die tussen het staal en de buitenwereld staat. Weer, vuil, mechanische belasting: dat raakt eerst de coating, en pas als die doorbroken is, het verzinkte staal daaronder. Die dikte is dus geen cijfer voor de folder, het is de maat van uw bescherming.
Een organische coating is in feite een dunne kunststoflaag op basis van polymeren, hier met een biobased aandeel, die is aangebracht en ingebrand op de rol. Ze doet twee dingen: ze houdt vocht en zuurstof van het staal weg, en ze vangt kleine mechanische invloeden op zonder dat daar meteen een spoor van blijft staan. Wat de coating niet doet, is het staal onkwetsbaar maken. Een baan blijft een baan van 0,55 mm dik staal met een laag erop, geen harnas. Dat besef is precies waarom de banenindeling ertoe doet: hoe u de platen op het vlak verdeelt, bepaalt hoeveel van dat kwetsbare oppervlak straks in het zicht ligt en hoeveel ervan wegvalt tegen een randafwerking of onder een volgende baan.
Stel, u werkt aan een loods van 14,25 meter breed. Bij een werkende breedte van 475 mm per baan past dat in 30 hele banen. Mooi rond, geen reststrook, en dat betekent dat elke baan op het vlak dezelfde volle breedte coating laat zien: geen smalle strook die van iets anders is afgesneden en er daardoor net anders bij ligt. Bij een breedte van 14,40 meter gaat die rekensom niet meer op. Dan blijft er een reststrook van 15 cm over, en de vraag wordt: waar legt u die.
Waar de eerste baan begint, bepaalt waar de laatste eindigt. Begint u tegen de linkerzijde en werkt u door naar rechts, dan valt de reststrook aan de rechterkant. Op een dak dat vanaf de grond goed te overzien is, of op een gevel op ooghoogte, is dat een strook die opvalt: een smalle baan naast een volle, met een fels die niet op dezelfde plek in het ritme staat als de rest. Kiest u ervoor om symmetrisch in te delen, dus vanuit het midden naar beide zijden te werken, dan komt er aan beide randen een kleinere reststrook, meestal minder in het oog springend dan één brede aan één kant. Wat voor het vlak beter werkt, verschilt per gebouw, en dat is precies waarom wij per project meedenken op tekening, zonder dat daar kosten aan hangen.
De reststrook zelf is niet het probleem, de coating is er net zo goed op aangebracht als op een volle baan. Het probleem zit in wat er met die strook gebeurt tijdens verwerking. Een smalle strook wordt vaker gepakt, vaker verschoven, vaker tegen een profiel of een kantopzetter aangelegd, en elke keer dat er materiaal over materiaal schuift, is er kans dat de coating een lijn krijgt die er de dag ervoor nog niet was. Op een volle baan van 475 mm is er ruimte om te tillen zonder dat de rand meteen meesleept; op een strook van een paar centimeter is die ruimte er niet. Hoe u een reststrook oppakt en wegzet, en welk gereedschap daarbij past, leggen wij uit bij [gereedschap kiezen bij de banenindeling van het vlak](/felsplaat/banenindeling/gereedschap).
De 50 micrometer beschermt tegen de gewone belasting van een dak of gevel in bedrijf: regen, vuil, temperatuurwisseling, uv. Ze is niet bedoeld als offerlaag die u er zomaar van afhaalt zonder gevolg. Onder die coating zit de Sendzimir-verzinking, 275 g/m² aan beide zijden, en die twee lagen werken samen: de coating houdt het meeste weg, de zinklaag vangt op wat er toch doorheen komt bij een beschadiging. Verandert de banenindeling iets aan die opbouw? Niet aan de dikte van de laag zelf, die ligt vast per plaat vanaf de wals. Wat de indeling wel verandert, is hoeveel van dat beschermde oppervlak straks blootligt aan weer en wind, en hoeveel er onder een volgende baan of een eindafwerking verdwijnt.
Een baan die volledig onder de overlap van de volgende baan valt, is aan de bovenkant beschermd door zowel zijn eigen coating als door de baan die erover ligt. Een baan die aan een dakrand of gevelhoek eindigt, ligt met zijn volle coating in het zicht en in de wind. Dat is geen reden om anders te bestellen, wel een reden om bij het indelen rekening te houden met waar de randen vallen. Een reststrook die precies op een kwetsbare plek terechtkomt, bij een hoek waar water samenkomt of bij een overgang waar veel gelopen wordt, vraagt meer van zijn coating dan een reststrook die wegvalt tegen een nok. Hoe die aansluiting op de nok precies loopt, leggen wij uit bij [de aansluiting op de nok](/felsplaat/banenindeling/uitzetting), waar u ook leest hoe de uitzetting van het staal zelf meespeelt in die indeling.
Wat verwerkers vaak vergeten, is dat de coating niet meebeweegt met een verkeerde beslissing tijdens transport of opslag. Een baan die krom op de stapel ligt omdat hij niet plat is gestut, gaat bij het rechttrekken al een beetje op de coating drukken voordat hij ooit op het dak ligt. Dat is geen kwestie van banenindeling maar van opslag, en die twee onderwerpen raken elkaar juist op het punt van de reststrook: die ligt vaak los boven op de stapel, minder ondersteund dan de volle banen daaronder. Hoe u platen tot het moment van leggen het beste bewaart, staat bij [de plaat opslaan bij de banenindeling van het vlak](/felsplaat/banenindeling/opslag-op-de-bouw).
Als u een vlak indeelt, reken eerst de volle breedte uit: 14,25 meter gedeeld door 475 mm geeft een rond aantal, andere maten geven een rest. Weet die rest, en bepaal bewust waar hij valt: symmetrisch over twee randen, of geheel aan één kant tegen een detail waar hij toch minder opvalt en minder belast wordt. Vraag bij twijfel gewoon naar onze inschatting op tekening; dat werk doen wij zonder dat het u iets kost, en u krijgt platen die precies op de bestelde maat zijn afgekort, van 450 tot 8000 mm. Voor het uiterlijk van de coating zelf, de kleur en de glansgraad, kijkt u op zinklook.com, en voor de vraag hoe die reststrook straks aan de ondergrond wordt vastgeklikt, leest u verder op klikzink.com.